13 January 2011

Het was een bitterkoude decembernacht in de grote stad van Linx. De gure, vochtige winterwind waaide door de straten, terwijl zich een laag ijs begon te vormen. Het was donker, stil en verlaten: de Linx leek onbewoond te zijn. Geen enkel mens op straat, geen geluid, geen gefluister. Een kat liep zachtjes door de straten. Flauw knipperende straatverlichting die het snel liet afweten, voor de rest…doodstil.

De stilte werd plotseling doorbroken door het geschreeuw van een man. Hij leek pijn te lijden! Uit zijn stem klonk een schreeuw gevuld van afschuw en wanhoop. Hij kon amper nog woorden uitroepen.
‘Help! Help me! He…’
Zijn laatste woord werd afgebroken. Het leek alsof hij aan het verdrinken was. Of was het zijn eigen bloed dat door zijn keel vloeide, dat zijn geschreeuw onmogelijk maakte?
Een seconde stilte met vlak daarna gegrom van een hond. Of was het iets anders..iets groters…Kort hierop was het weer doodstil.

Het bleef stil tot de nieuwe dag aangebroken was. Rond vijf uur in de ochtend begonnen de eerste mensen zich te vertonen in de straten van Linx. De eerste ruiten werden gekrabd en motoren werden aangezet, terwijl stoom het bittere ijs probeerde te ontdooien. Het werd met de minuut drukker en rond half zeven leefde de stad op, met zijn wijde straten, nu onder druk van files, met zijn groene parken, hoge gebouwen en appartementen die nu bijna allemaal verlicht waren.
In één van de hoge flats was er iemand die nog net niet bereid was om aan zijn dag te beginnen. Hij zat op zijn knieën in een hoek van zijn witte keuken en hield zijn mobiel vast.
‘Ik meen het. Volgens mij heb ik het gedaan deze keer. Nu is het echt uit hand gelopen.’
Een zachte stem aan de andere kant van de lijn probeerde hem gerust te stellen. Hij trilde van angst als hij naar zijn handen en kleding keek. Ze zaten onder gedroogd bloed.
Zijn licht getinte huid leek nu bleek te zijn en zijn zwarte lange lokken zaten in de war. Eenmaal opgehangen, gooide hij zijn bebloede kleren in een plastic zak en stapte hij onder de douche. Hij was al te laat voor zijn werk, omdat hij het tefefoongesprek al een uur geleden had gevoerd, hij vervolgens in shock raakte en niet in staat was om nog helder na te denken. Hij kleedde zich geheel in het zwart, pakte snel een kopje koffie en ging gehaast de deur uit.

Alle politieagenten en autoriteiten waren verzameld bij het plein naast het gemeentehuis. Ze liepen rond het lijk dat een uur geleden door een burger ontdekt was en waren geschrokken van de manier waarop deze man omgekomen was. Het was zeker moord en de dader was bij iedereen bekend.
‘Waar is die verdomde Perry nou. Ik heb hem een uur geleden gebeld’, riep commissaris Meulenberg,  terwijl hij naar de grote klok op het gemeentehuis keek. De politieagent, aan wie hij dit vroeg, trok zijn schouders op.
‘Ik heb hem nu nodig!’
‘Ik ben er!’, riep de 27-jarige jongeman, terwijl hij naar zijn baas toe rende.
De commissaris keek hem aan met zijn kleine bruine ogen. Door het koude weer kwam er stoom uit de mond en neus van de commissaris. Het leek alsof een boze stier de jongeman aankeek.
‘Je woont twee straten verderop. Ik verwacht dat je dan ook meteen komt als ik je roep!’
‘Sorry Ruud. Ik had wat opstartproblemen.’ De man keek hem twijfelend aan en Perry dacht dat het maar beter was om aan de slag te gaan. Hij liep naar zijn team toe. Ze stonden rondom het lijk terwijl ze dit observeerden en fotografeerden.

‘Ah Perry’, zei een kleine man die met een staafje een stuk huidweefsel van de nek van het slachtoffer probeerde te halen. ‘Belachelijk dat mensen toch nog de straat op gaan. Het is net alsof je niet weet wat er dan met je kan gebeuren.’
Onder de grote snor van de man klonk een korte, droge lach maar niemand lachte met hem mee. Perry staarde naar het lijk. Een man van rond de veertig was in stukken gescheurd. Zijn armen zaten nog net aan zijn lijf vast, handen waren aangekauwd en huid van de bovenarmen was van de botten losgetrokken. De maag was open gescheurd en zijn darmen hingen eruit. Benen lagen enkele meters verderop, gebroken en aangevreten. Het gezicht van de man was moeilijk te herkennen. Het leek alsof er uit zijn gezicht één grote hap genomen was: zijn ogen, lippen en neus waren weg en het hele gezicht was een indrukwekkend, bloedend stuk vlees.

De jonge man bleef staren. Hij had deze brute moord gepleegd. Door hem was deze man nu op een gruwelijke wijze overleden. Hij kon zich nog herinneren dat hij voor deze man stond. Zijn handen vanochtend, vol met bloed waren nog een pijnlijk bewijs dat hij deze man heeft vermoord.

‘Wat denk je Perry?’, vroeg de kleine man. Hij vond dat de rechercheur zich een beetje raar gedroeg voor deze vroege vrijdagochtend.
‘Eh…jah…de dader is…’
‘De dader is wel bekend. Maar ja wat is de kans dat wij hem kunnen pakken? Dit is heel erg Perry. Dit heb ik al jaren niet meer meegemaakt ook al wist ik heel goed dat dit ooit nog zou gaan gebeuren.’
‘Weten we wie het slachtoffer is?’ vroeg Perry die zich bijna verslikte van angst.
‘We hebben een legitimatiebewijs gevonden. Dit wordt heel erg naar, jongeman. Het was een medewerker van de gemeente. Kijk maar om ons heen. Ze kunnen niet wachten om ons in stukken te scheuren…figuurlijk dan…’, zei de man met zijn blik op het lijk gericht.
Perry keek om zich heen. Het was overspoeld met televisiebusjes en verslaggevers die ongeduldig stonden te wachten om kans te maken op het verhaal van het jaar. Perry noteerde de gegevens van het slachtoffer en liep gauw weg met als excuus dat hij de nabestaanden wilde informeren en ondervragen.

Daan de Wijk; een prototype ambtenaar. Hij deed zijn werk zorgvuldig en stipt op tijd, werkte vaak over en voerde alles altijd volgens de regels en richtlijnen uit. Hij was getrouwd maar had geen kinderen. Voor zijn overige familie had hij veel te weinig tijd en zijn vrouw was altijd blij als hij thuis was en zijn laptop eens een keer niet aanhad. Nu wenste zij echter dat hij thuis achter zijn laptop zat. Alles was beter dan zijn tragische dood. Dit allemaal had Perry te horen gekregen terwijl hij op een fluweelzachte bank tegenover de weduwe zat.
Hij dronk voorzichtig uit zijn kopje en deed zijn best om niet in huilen uit te barsten en zijn excuses aan deze lijdende vrouw aan te bieden. De vrouw zat in haar rode ochtendjas met een door tranen gedrenkte zakdoek in de ene en een sigaret in de andere hand. Ze had grote wallen onder haar ogen en een klein neusje dat nu rood en nat was van al het gehuil. Haar kleine, droge lippen bewogen zich langzaam alsof ze alleen maar nog kon fluisteren.
 ‘Ik wist pas in de ochtend dat hij weg was. Ik snap het niet. Het is tegen de wet. Waarom zou hij zoiets doen, wetend dat het een gevaar voor zijn eigen leven zou kunnen zijn?’
Wat moest hij nog meer vragen, dacht Perry. Waarom zou hij nog naar antwoorden vissen terwijl hij die al lang wist. Hij keek om zich heen en zag op de houten tafel in de woonkamer een laptop staan met een koffiemok ernaast. Door hem zat haar man daar niet meer. Hij beëindigde het gesprek door de vrouw te bedanken voor haar tijd en haar veel sterkte te wensen. Hij verborg zijn natte, bruine ogen door snel naar buiten te lopen.

Perry stond in de tuin voor het huis van Daan de Wijk en wilde het liefst hardop schreeuwen, om zijn boosheid en verdriet te kunnen uiten. Hij snapte het zelf ook niet. Hij kon zich altijd beheersen. Blijkbaar is het de afgelopen nacht misgegaan. Hij was een weerwolf en daar kon hij niks aan doen. Zijn vader was het ook dus het zat in zijn DNA. Misschien was zijn familie de reden waarom er lang geleden een wet was verschenen in de stad van Linx om aanwezigheid van mensen tijdens donker op straat niet toe te laten.
Er werden zware maatregelen genomen tegen weerwolven. Omdat niemand ze kon vinden of tegenhouden had de gemeenteraad besloten om het volk tegen het kwaad te beschermen. Perry ging wel elke avond naar buiten, maar hij ging altijd de nabij gelegen bossen in. Daar kon hij zijn honger bevredigen. Nooit in zijn leven had hij een mens vermoord, ook al had hij af en toe de behoefte om mensenvlees te eten. Hij was altijd in staat zijn behoeften te verdringen. Tot nu toe. Hij kon nu gewoon niet op zijn werk verschijnen en doen alsof er niets aan de hand was. Hij moest even weg. Hij moest iemand spreken en alleen één persoon kon hem helpen.

In een café om de hoek van het gemeenteplein tegenover het gemeentehuis was het opmerkelijk rustig. Normaal gesproken was het bij het café razend druk op dit tijdstip van de dag. Nu leek het alsof de mensen zelfs te bang waren om te gaan lunchen.
Perry nam een slok van zijn zwarte koffie terwijl hij zijn hart, bij het meisje dat tegenover hem zat, luchtte.
´Ik ben net zo geschrokken als jij bent, Per. Ik kon het vanochtend toen je belde niet geloven en nu eigenlijk nog steeds niet.´ Rita was een mooie vrouw van 25. Haar donkere gladde huid en haar halflang kastanje krullend haar gaf haar gezicht een mooi contrast in vergelijking met haar grote, groene ogen en volle, roze lippen. Ze keek hem ernstig aan. Ze kende Perry haar hele leven lang, omdat haar ouders goede vrienden van zijn ouders waren. Ze kende zijn geheimen en de innerlijke strijd die hij iedere keer opnieuw moest voeren. Maar nu was het méér dan een persoonlijk probleem. Het was een brute moord. Iets waartoe zij Perry niet in staat achtte.

De tv boven de bar stond aan en zodra de burgemeester in beeld verscheen, schroefde de barman het volume op. De burgemeester, een lange, dunne man met wit, kort haar en een afgrijzen vertrokken gezicht sprak het volk toe. Naast hem stond commissaris Meulenberg, Perry’s verbitterde baas.

‘Dit hebben wij in dertig jaar niet meer meegemaakt’, zo begon de burgemeester zijn betoog. ‘De ernst van de situatie is bij sommige van jullie, denk ik, nog niet doorgedrongen. Voor ons is het nog steeds onbegrijpelijk waarom onze dierbare Daan gisternacht het huis uit is gegaan. Het is wettelijk niet toegestaan zich tijdens duisternis in de straten te begeven. Hij, als  gemeenteambtenaar, wist dat als geen ander en hij had deze regel dan ook onvoorwaardelijk  moeten respecteren. Zijn lot was onvermijdelijk, net zoals het nu onvermijdelijk is om zwaardere maatregelen te treffen. Wij zullen voortaan de bewaking inschakelen om ervoor te zorgen dat er, na het invallen van het donker, geen mens zich meer op straat begeeft. Dit is ten slotte waar u als volk mij voor hebt gekozen en waarvoor u uw jaarlijkse belasting betaalt: dat wij u als gemeenteraad beschermen en niet in de klauwen van weerwolven laten vallen. U, als eerzame burgers, dient zich aan de regels te houden en u dient zich bewust te zijn van de gevolgen. Wij hebben Daan leren kennen als een hardwerkende medewerker...’ Het verhaal ging door, maar Perry liep het café uit gevolgd door Rita.

Het leek alsof hij geen adem meer kon halen en een gevoel van misselijkheid en buikpijn overviel hem. Hij stond naar beneden gebogen terwijl hij een arm tegen de muur hield als steun.
‘Je moet naar huis!’, zei Rita bezorgd. ‘Zeg gewoon dat je ziek bent. Ga naar huis, Perry. Doe dat gewoon. Ik bel je straks om te controleren of alles goed gaat.’
Perry volgde Rita’s advies en nadat hij zich ziek had gemeld liep hij terug naar zijn appartement.
Onderweg naar huis rook hij een aparte geur. Zijn wolfreflexen namen het over. Hij probeerde zijn dierlijke instinct te onderdrukken maar dat lukte niet. Wellicht moest hij onderzoeken waar het vandaan kwam. Perry volgde de sporen richting de voor hem alles overheersende geur. Alles leidde naar een vuilnisbak in een smalle, verlaten steeg. Het was een groene, ijzeren vuilnisbak vol met spetters van etensresten. De geur van bedorven fruit was sterk aanwezig maar dat was niet wat Perry rook. Hij ging op zijn knieën naast de vuilnisbak zitten en keek op de straattegels. Hij zag iets van ijzer liggen waar de geur vandaan walmde. Hij pakte een doosje uit de binnenzak van zijn jas en deed het open. Daarin bevonden zich handschoenen, plastic zakjes en een pincetje. Hij nam de pincet en pakte het stukje ijzer op, waarna hij dit in het plastic zakje liet vallen. Perry liep het licht in om het beter te bekijken. Het ijzerstuk was bevlekt. Hij rook bloed. Hij keek om zich heen maar kon niks meer zien of ruiken wat nog meer vragen bij hem opriep. Hij stopte zijn vondst in zijn zak en vertrok op weg naar zijn appartement.

Nu de hele stad door hem in gevaar verkeerde, besloot Perry iets te doen om de stad tegen hem te beschermen. Hij deed zijn balkonraam dicht. Hij had zich altijd al afgevraagd waarom de mensen niet wettelijk gedwongen waren hun ramen dicht te doen tijdens de nacht. Als weerwolf kon hij ook door de ramen binnenkomen. Maar ja, dat had hij nog nooit bij iemand anders gedaan dus misschien wist de gemeenteraad dat ook wel. Hij brak een fles en bevestigde het gebroken glas rond zijn ramen en deur. Dit in de hoop dat, mocht hij wakker worden en in een weerwolf zou zijn getransformeerd, hij dan zijn poten zou verwonden als hij het huis zou verlaten en dat hij zo zou zijn gedwongen thuis te blijven. Maar hij moest er in ieder geval voor zorgen dat hij niet wakker zou worden. Hij had een doos met slaappillen gepakt en nam er een paar van om er zeker van te zijn dat hij door de nacht en dus door zijn transformering heen zou slapen. Voor hij het wist viel hij in een diepe slaap.

Was hij aan het dromen of was het echt? Het moest wel een droom zijn, want hij kon alleen maar observeren. Het was een eenzame, stille nacht, met een volle maan. Een ratje trok zijn aandacht. Hij keek met volle verbazing naar het dier en besloot het te achtervolgen. Waar ging het heen en waarom was het niet bang voor hem? Zo’n klein ratje en wat had hij een lange staart. Hij had een bijna onbedwingbare trek, maar hij wist zich in te houden. Hij voelde meer voor een lekker sappig hertje. Dat zou hij zo gaan zoeken. Het ratje was verdwenen, uit het oog verloren. ‘Help! Help! Heee…’ Hij hoorde het geschreeuw van een mens. Even kijken waar dat vandaan kwam. Hij rende zo snel zijn vier poten hem maar konden dragen naar de plek waar de doodskreet vandaan kwam. Het was pikdonker. Hij hoorde een gegrom, zo afschuwelijk en weerzinwekkend, dat hij besloot niet verder te gaan. Het was beter om uit de buurt te blijven. Hij had nog honger, dus hij besloot dat het beter was om de bossen weer in te gaan. Later keerde hij terug. Zijn buik zat vol, maar zijn nieuwsgierigheid was niet bevredigd. Toch nog maar eens een keer kijken waar het geschreeuw vandaan was gekomen. Hij liep het plein op en zag een bloedbad. Een man of zoiets. Helemaal in stukken gescheurd. Hij stak zijn wolvenneus uit richting het gezicht van de man en merkte snel dat zijn neus onder het bloed zat. Hij keek naar beneden en zag dat zijn poten in een plasje bloed stonden. Zijn donkerbruine vacht zat helemaal onder het bloed.

De ogen van Perry gingen open. Was het een droom of was het een herinnering van afgelopen nacht? Hij stond op en merkte dat het al ochtend was. Was zijn droom waar? Was hij toch niet de moordenaar? Maar wie was het dan wel? Was er een andere weerwolf in de stad en was die weerwolf degene die nu de stad in gevaar bracht? Hij was aan de ene kant blij dat er een kans bestond dat hij niet de moordenaar was, maar aan de andere kant zou dat betekenen dat er een bloeddorstige weerwolf de stad terroriseerde. Hij pakte zijn mobiel om Rita te bellen en zag dat hij al drie gemiste oproepen had. Alledrie van Rita. Dat was waar ook, zij zou hem gister nog bellen.

‘Rita?’ zei hij toen hij haar stem hoorde. ‘Ik denk dat ik het niet ben geweest. Als het zo is dan verkeert iedereen, ook jij en ik, in groot gevaar!’
Ze spraken rond lunchtijd af bij het café. Hij moest nu aan de slag. Geen tijd meer voor twijfel en zelfmedelijden. Perry kleedde zich om en haastte zich naar zijn kantoor. Het kantoor bevond zich aan de noordelijke kant van het gemeentehuis. Het was een klein gebouw met grijze muren en schuine ingangsdeuren. Wie het niet wist had nooit kunnen raden dat het een politiekantoor was. Perry liep naar binnen en begroette de receptioniste die rechts vooraan aan de balie zat. Hij nam de lift en ging naar de tweede verdieping. Daar liep hij een lange gang in die aan beide kanten voorzien was van kleine kantoortjes. Aan het eind van deze gang bevond zich een grote zaal met hierin allerlei bureaus en gesprekskamertjes. Het was afgeladen met medewerkers en burgers die van alles te vertellen hadden over de weerwolf aanval.
‘Hey Per, zo snel al beter?’ zei de kleine man die een kopje koffie uit de automaat haalde. Perry sloot bij hem aan.
‘Wat doen al deze mensen hier, Tim?’
‘Tja, ze hebben allemaal tips over die weerwolf aanval.’
‘Is er iets wat ik moet weten?’
‘Nah, allemaal maar onzin maar ja we moeten iedereen aanhoren. Wie weet komt iemand met iets nuttigs.’
‘Ja, dat is ook zo. Zodra je iets hoort laat je mij het dan weten?’
‘Tuurlijk.’
Perry liep met zijn kopje koffie naar zijn kantoor toe. Dit was aan de linkerkant van de gang.
Iedereen was verbaast om hem zo snel weer hersteld te zien, behalve zijn baas. Deze kwam net zijn kantoor uit, die naast het kantoor van Perry zat.
‘Ik dacht, als ie vandaag niet komt dan trek ik hem persoonlijk uit zijn bed.’
‘Had je niet gehoord dat ik ziek was, Ruud?’ zei Perry met wat meer vrolijkheid in zijn stem dan de dag ervoor.
‘Jawel. Juist daarom!’ De lach van de man had veel weg van het geknor van een varken.
Perry liep zijn kantoor binnen en deed de deur dicht. Op zijn bureau had hij een dossier liggen met de naam ‘Daan de Wijk’ erop. Er zat een post-it op het dossier geplakt:‘verslag afmaken en opbergen. Ruud’.

‘Opbergen?’ vroeg Perry zich hardop af. ‘Ik ga er net aan beginnen’. De politieagenten hadden hun eigen kijk op weerwolfaanvallen. Enkele mannen, onder wie zijn baas, hadden jaren geleden een paar aanvallen meegemaakt. Toen hadden ze het hele proces afgesloten en alles opgeborgen. Een weerwolf was niet te vinden riepen ze steeds. Nu dat er weer een aanval plaats had gevonden, wisten ze dat ze zich aan de oude vertrouwde routine konden houden. Maar dat was Perry niet van plan te doen. Het feit dat hij een weerwolf was, was een voordeel. Wellicht kon hij de andere weerwolf makkelijker herkennen.

Perry pakte het dossier van Daan en opende het. Er waren enkele foto’s gemaakt van het slachtoffer. Foto’s die hij nog steeds afschuwelijk vond. Hij snapte gewoon niet waarom een weerwolf zoveel bruut geweld had gebruikt. Was hij misschien boos of besmet met hondsdolheid? Hoe dan ook, het was een koelbloedige moordenaar. Hij las het rapport met betrekking tot tijdstip moord,  de aantekeningen en de spullen die de man bij zich had. Zijn ogen vielen op een zin. Bezittingen: geld, legitimatie, sleutels, personeelspas gemeentehuis en een laptop. ‘Ging hij naar zijn kantoor toe? In het midden van de nacht?’ vroeg Perry zich af. Waarom zou hij dat doen, terwijl hij heel goed wist dat het verboden was?
Perry haastte zich naar de bewijsruimte in de kelder. Hij vroeg de bewaker die bij de ingang van de kamer zat om de spullen van Daan te bekijken. De bewaker gaf hem toestemming en hij liep de kamer in en pakte de doos met Daans’ spullen. Daar vond hij de laptop. Hij hoopte dat de laptop het nog deed. Hij ging bij een tafel zitten naast de balie van de bewaker en zette de laptop aan. Na enkele ogenblikken kon hij in de laptop van Daan de Wijk een kijkje nemen. Hij zocht naar bestanden, documenten of wat dan ook Daans’ gedrag kon verklaren. Ook  keek hij in de mailbox van Daan maar helaas kon hij niets vinden. Plotseling realiseerde hij zich iets: toen hij bij de weduwe langs was geweest, had hij nog een laptop gezien. Op de tafel naast een koffiemok. Waarom zou die man twee laptops hebben? Het voelde niet goed. Perry verliet de bewijsruimte en besloot de vrouw van Daan nog een keer te bezoeken.

‘Werkte uw man vaak op de laptop?’ vroeg Perry, nadat hij de vrouw had bedankt dat hij nogmaals langs mocht komen. De vrouw keek naar de laptop die nog steeds op tafel lag onderwijl haar kopje koffie stevig omklemmend. De stoom bereikte haar ogen, die geïrriteerd waren door het vele huilen.
‘Ja, hij bleef ‘s nachts ook in de woonkamer werken en kwam pas laat naar bed toe.’
‘Nam hij de laptop ook mee naar zijn werk?’
‘Ja, logisch. Het was een laptop van zijn werk.’
‘Misschien een rare vraag mevrouw’, zei Perry terwijl hij haar met zijn milde ogen aankeek, ‘had hij wellicht twee laptops?’
Ze bleef even nadenken daarna antwoordde ze. ‘Niet dat ik weet. Nee. Waarom? Wat heeft dit allemaal met zijn dood te maken?’
‘Het klinkt onlogisch, ik weet het, maar mag ik u misschien nog een gunst vragen?’
De vrouw zweeg en wachtte op zijn vraag.
‘Mag ik misschien een kijkje in zijn laptop nemen?’
‘Ja, dat mag maar dan zou u zijn wachtwoord moeten hebben. En dat heb ik niet’
‘Wachtwoord’? ‘Vreemd’, dacht Perry, de laptop in de bewijsruimte had geen wachtwoord. Hij had er zelfs helemaal niet bij stil gestaan.
‘Toch zou ik een poging willen wagen. Mag dat?’
‘Dat is prima. Zal ik nog een kopje koffie zetten?’
‘Alstublieft.’

Hij zette de laptop aan. De gegevens verschenen gelijk op zijn scherm. Geen wachtwoord dus. Perry checkte weer alle bestanden en documenten en deze keer vond hij wel iets. Hij wist niet wat het was maar het was wel vreemd. Een folder in zijn documenten heette ‘concept’. Hij opende de documenten en er verschenen enkele schetsen op het scherm. Sommige schetsen waren tekeningen van messen, bijlen en zagen. Twee andere schetsen waren nog opvallender.
Eentje was een schets van een klauw van ijzer met scherpe nagels. Een andere schets stelde een soort ijzeren kaak met scherpe ijzeren tanden voor. Perry besefte opeens dat hij iets helemaal vergeten was. Hij liep naar zijn jas, die hij bij de ingang opgehangen had en doorzocht de zakken. Hij trok er het plastic zakje uit en keek naar dat kleine stukje ijzer. Hij liep met het zakje naar de laptop toe. Hij kon het stukje ijzer plaatsen in de schets met de ijzeren kaak. Het was een tandje. Wat was dit voor vreemds? Wat had het te beteken? Hij moest het aanwezige bloed op het tandje testen.

Perry bleef de laptop doorzoeken en ontdekte meerdere werkstukken over weerwolven. Eén van de documenten beweerde dat het bestaan van weerwolven een mythe was. Toen hij de mailbox checkte vond hij iets wat nog veel vreemder was. Er was een mail gestuurd om 01:34 uur op de nacht dat Daan vermoord werd.
‘Beste Daan,

Zou jij zo meteen naar kantoor kunnen komen? Zou je ook je laptop willen meenemen? Het gaat om onze vergadering met betrekking tot het rookverbod.

Groeten
Gerrit Oostdam’


Perry was geschrokken. De naam! Het was de naam van de burgemeester. Waarom zou de burgemeester deze man ‘s nachts een mail sturen? En wat nog vreemder was, het mailadres van de burgemeester was afkomstig van zijn werk. Dat betekende dat de burgemeester op dat moment op het gemeentehuis aanwezig was. Hoe kan dat? Was hij gek geworden? En ook nog een vergadering over een rookverbod? Het klonk helemaal niet logisch.

Mevrouw De Wijk zette een kopje koffie bij Perry neer. Zijn ernstige blik viel haar op.
‘Heb je iets ontdekt over mijn man?’
‘Aa…nou ik weet niet of dat relevant is. Wat voor werk deed uw man precies?’
‘Hij was de rechterhand van de burgemeester. Ook al erkende meneer Oostdam dat tijdens zijn televisietoespraak niet, mijn man was veel belangrijker dan wat hij beweerde.’
Perry keek de vrouw aan en had het gevoel dat dit hele verhaal meer teweeg zou brengen dan wat hij eigenlijk had gedacht.

Nadat hij het bloed dat hij van het tandje had afgeschraapt bij het politielaboratorium had gebracht om het te laten testen, ging Perry met Rita lunchen. Hij had express het ijzeren stukje niet achtergelaten op het politiebureau omdat hij op dit moment niet wist of dat slim zou zijn.
Nu zat hij tegenover Rita die van een omelet aan het genieten was. Hij wilde alleen maar een zwarte koffie. Honger had hij niet. Nadat hij zijn bevindingen aan haar had verteld trok hij zijn conclusie. ‘Ik meen het Rita, ik snap er helemaal niks meer van. Eerst dacht ik dat ik het was, en nu is de burgemeester misschien hierbij betrokken. En dan die paar rare schetsen. Ik weet niet meer wat ik moet geloven.’
‘Ik weet het ook niet, Per’. Rita hield zich niet bezig met onderzoek of moord. Zij werkte als striptekenaar bij een zelfstandig redactiebureau. ‘Denk je dat de schetsen te maken hadden met zijn dood?’
‘Weet ik niet. Ik wil zeker weten dat het zijn bloed was.’
Ze keek hem aan. Hij was veel knapper dan waarvan hij zichzelf bewust was. Met zijn lange haren naar achteren gekamd en een paar lokken die op zijn voorhoofd vielen, zijn donkere ogen vol met mysterie en sensualiteit, was hij een van de mooiste mannen die zij ooit had gezien. Een glimlach verscheen op haar gezicht.
‘Wat?’ vroeg hij met een serieuze blik.
‘Niks.’ Haar wangen werden lichtrood. ‘Ik vind het leuk om je zo vastberaden te zien.’
Hij glimlachte terug.
Zijn mobiel ging af. Hij pakte het snel op.
‘Ja, ja. Okee, bedankt.’
Hij beëindigde het gesprek terwijl hij Rita aankeek.
‘En?’ vroeg ze.
‘Het was zijn bloed.’
‘En nu?’
‘Ik moet met de burgemeester spreken.’

Hij liep naar het gemeentehuis en vroeg de secretaresse om de heer Oostdam te spreken. Na enkele momenten werd hem verteld dat de heer Oostdam niet beschikbaar was. Perry zou een andere manier moeten bedenken.

Het was kwart voor acht ’s avonds en de stad van Linx was opnieuw doodstil, evenals elke voorgaande avond. Wellicht was het nu vroeger stil omdat de schrik voor de loslopende weerwolf er goed in zat bij de bevolking. De heer Oostdam verliet het gemeentehuis liep langs het plein en ging de zuidelijke kant op. Hij zette de kraag van zijn jas omhoog, zodat zijn oren niet meer de snijdende, koude wind zouden voelen en liep naar een steegje. In de steeg aangekomen opende hij een deur. Het leek een soort garagedeur, gemaakt van sterk hout. Hij liet de deur open en ging naar binnen. Enkele momenten later kwam hij weer naar buiten, terwijl hij een zwarte koffer bij zich droeg. Hij liep naar het verlaten centraal station, waar een auto met draaiende motor hem opwachtte. Twee mannen kwamen uit de auto en liepen naar hem toe. Een van de mannen had een koffer bij zich. Na een woordenwisseling ruilden ze van koffers en daarna gingen ze uit elkaar. De burgemeester liep terug naar de garage. Daar zat iemand op hem te wachten.
‘Goedenavond meneer Oostdam!’
De burgemeester schok zich dood van de jongeman voor hem.
‘Wie ben je?’ vroeg hij achterdochtig.
‘Wat bent u aan het doen meneer Oostdam?’ vroeg de jongeman terwijl hij naar de koffer keek.
‘Wat bedoel je? Wie ben je?’
‘Mijn naam is Perry. Bent u niet bang voor de weerwolven?’
‘Perry, jij bent toch een van de rechercheurs van commissaris Meulenberg? Ik herkende je niet zo in het donker. Nee, ik ben niet bang voor de weerwolven. Het is nog vroeg. Pas na tienen wordt het gevaarlijk’.
‘Hoe komt het dat u daar zo zeker van bent?’
‘Wat bedoel je?’ de burgemeester hield afstand en keek Perry angstig aan.
‘Wat zit er in de koffer, meneer Oostdam, Gerrit?’
‘Gaat jou niks aan!’ riep de man. Maar niet zo hard dat de wijk werd opgeschrikt.
‘Zijn het drugs? Geld? Wapens?’
‘Volgens mij ben je de weg kwijt jongen! Ga naar huis voordat de weerwolven jou in stukken scheuren.’
‘Een weerwolf? Of wellicht iets anders?’
‘Wat?’ De man bleef met zijn mond open staan. Hij wist niet wat de jongen wilde maar wel wat hij bedoelde.
‘Ik snapte het niet. De hele dag was het een raadsel. Totdat ik u vanavond zag. Zo rustig overal. Zo rustig op de weg. Dan kan iemand alles doen wat hij wil. Zomaar, als niemand je ziet dan kan niemand je verlinken. Best lekker zo alleen door de straten lopen.’
De man bleef hem aankijken. Perry glimlachte en ging door: ‘angst is het antwoord om de mensen in het huis te houden en dan ben je vrij om alles te doen wat je zelf wilt. En als je ze af en toe kan laten schrikken, dan is dat nog beter. Iedereen betaalt belasting voor zijn eigen bescherming maar ik zie nooit bewakers buiten staan en niemand wordt aangeraden om hun ramen en balkondeuren dicht te doen ’s nachts. Toen ik de ontdekkingen van uw werknemer…excuus, ex-werknemer, las, werd het een stuk duidelijker. Hij schreef namelijk dat weerwolven wellicht niet bestaan. Waarom zou hij dat denken? En waarom zou hij zijn eigen leven riskeren door ’s nachts de deur uit te gaan, omdat u dat hem had gevraagd?’
‘Hoe…’
‘Gelukkig was Daan een slimme man. Hij had twee laptops. Eentje had hij bij zich toen hij vermoord werd en de andere had hij thuis gelaten. Hij had er zelfs geen wachtwoord op gezet, zodat de documenten expres toegankelijk zouden zijn. Volgens mij had hij zelfs het gevoel dat zijn leven in gevaar verkeerde. Wat ik niet snap is, waarom moest hij dood. Ik bedoel, hij was uw rechterhand. Waarom zou u hem willen vermoorden? ’
‘Ik? Hem vermoorden? Belachelijk.’
‘U vroeg hem naar zijn werk te komen om één uur ’s nachts voor een vergadering over rookverbod ook nog. Ik denk dat ‘rookverbod’ een soort code was wat u gebruiken en waar Daan van op de hoogte was. U was toen bij het gemeentehuis en hij werd vermoord op het plein op nog geen twee minuten afstand van waar u op dat moment aan het werk was.’
‘Toeval.’
‘Bent u niet bang voor weerwolven, meneer Oostdam?’
Plotseling kwam  er een man naar de burgemeester toe.
‘Is er iets aan de hand, meneer Oostdam?’ De bewaker droeg een geweer bij zich.
‘Hey,’ riep Perry enthousiast, ‘een bewaker.’
‘Wat doet hij hier?’ vroeg de bewaker.
Twee seconden later arriveerden er nog twee andere bewakers. Perry herkende een van de mannen. ‘Ruud?’
‘Perry?’ de man reageerde alsof hij betrapt was op een misdaad.
‘Wat doe jij hier?’
‘Ik help onze burgemeester met extra bewaking. En jij? Wat voer jij uit?’
Perry schrok. Hij had het nu pas door en de burgemeester had het in de gaten.
‘Ja Perry. Wat kan je nu zeggen? Alles wat jij beweert is een illusie. Alles. Ga lekker naar huis en ik zou, als ik jou was, een paar weken met vakantie gaan. Ik denk dat Ruud dat ook wel verstandig vindt.’ Gerrit hoefde alleen een blik naar Ruud te werpen en Ruud knikte ‘ja’.
‘Ik ga wel naar huis, Gerrit. Maar je moet me één ding vertellen.’ Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde er een voorwerp uit. ‘Wat is dit?’ Hij hield het ijzeren tandje tussen zijn vingers en liet het de burgemeester zien
De man werd woedend.
‘Weten je mannen dat wel?’ Perry liet het stukje ook aan de rest zien. ‘Weten jullie wat dit is? Iemand, een idee? Of zal ik het maar verder laten onderzoeken?’
‘Onzin!’ riep de burgemeester, zijn stem klonk alsof hij binnen enkele seconden zou ontploffen. ‘Nu is het genoeg!’ Hij keek zijn mannen aan. ‘Vermoord hem!’
De mannen kwamen langzaam maar zeker steeds dichterbij.
‘Dat is de toekomst, Perry’, zei de burgemeester, terwijl hij er vandoor ging.
Perry rende van de mannen weg. Tegen drie mannen kon hij niet op, vooral niet omdat het politiekrachten waren en één van hen commando’s had opgeleid. De mannen renden achter hem aan. Hij rende richting het politiebureau. De mannen zaten hem op de hielen. Hij kwam bij de deur van het politiebureau en realiseerde zich dat hij geen kant meer op kon.
‘Eh Perry, ik heb je nooit gemogen!’ Ruud trok zijn pistool uit en had zijn duim op de trekker. ‘Ik jou ook niet Ruud!’
Het was niet Perry die dat zei. Ruud keek om zich heen. Hij en zijn bewakers waren omcirkeld door tientallen politieagenten. Allemaal met geweren en zaklantaarns. Een kleine man met een grote snor keek hem aan. Naast hem stond een jonge vrouw. Ze keek naar Perry en glimlachte.
Hij gaf een diepe zucht van opluchting.
‘Oh Rita, ik dacht dat je niet meer kwam.’
‘Rita heeft ons alles verteld, Ruud over de zogenaamde weerwolf en de moord op Daan.
Ik heb genoeg bewijs. Jij, je corrupte mannen en de zogeheten burgemeester zullen hier jaren voor de bak in draaien.’ Zei Tim met een tevreden blik.

‘De burgemeester!’ riep Perry.
Op dat moment pakte de burgemeester zijn laatste koffer uit de garage en laadde die in zijn kofferbak. Hij was van plan om te vertrekken voordat het te laat was. Als de jongen dood was dan was dat goed maar hij wilde geen risico’s nemen.
‘Hallo Gerrit!’
De man zag weer de glimlachende jongeman voor zich.
‘Je mannen zijn gearresteerd en het is een kwestie van minuten voordat jij ook opgepakt wordt.’
‘Je kan me niet stoppen. Niemand kan dat, niet eens die domme, idiote Daan. Hij moest zich zo nodig aan alle regels houden, want hij was een modelambtenaar.’
‘Hij wist het.’
‘Eerst wou hij meedoen en kwam hij regelmatig ’s nachts naar me toe voor onze wekelijkse ‘rookverbod’ overleggen. En toen ja ja die idioot besefte dat hij een geweten had en voelde hij zich schuldig en ‘dit kan je niet maken Gerrit’, ‘ik ga het doorvertellen Gerrit’ bla bla bla. Ik kots op dat soort mannen. Ik spuug op jullie allemaal. Ik heb hem vermoord en zou het zo weer doen. Beginnend bij jou!’ De man plotseling schoot op Perry. Het was geen pistool maar een elektrische schokapparaat. Perry viel op de grond terwijl zijn lichaam onder veel pijn onderging.

‘Ja jochie, wat ga je nu doen?’ Gerrit keek Perry aan die de pijn aanvocht. Perry zag hoe Gerrit zijn koffer open trok. De kalme uitstraling van de burgemeester verbaasde Perry. De burgemeester pakte een ijzeren kaak uit de koffer. Hij zette die op zijn hoofd en maakte een paar schroeven vast. Het leek een wolven ijzeren skelet maar het bewoog met de hoofd mee. Met een glimlach naar Perry toe pakte Gerrit nog twee voorwerpen uit de koffer en deed hij de eerste op een hand. Het was een ijzeren klauw.
‘Laten we wat muziek hebben.’ Gerrit drukte op een knop in zijn koffer. Plotseling waren ze omringd door geluiden. De geluiden van een beer die aan het aanvallen was.
‘Ja Perry, riep Gerrit, het moet wel echt lijken natuurlijk.’ Maar Perry hoorde hem niet. Hij voelde zich plotseling niet goed maar niet zozeer door de schokapparaat. Het was iets anders. Hij keek omhoog, de lucht in, en moest glimlachen.

Gerrit deed zijn tweede klauw aan en liep naar Perry toen. Hij stond met zijn klauwen klaar om neer te slaan. Hij nam een stap terug toen hij zag wat er gebeurde.
Perry stond op.

‘Nou..meneer Oostdam, Gerrit, jij geloofde nooit in weerwolven. Ik zal je een reden geven om voortaan thuis te blijven.’

De man zag een nachtmerrie voor zijn ogen verschijnen. De jongeman begon te veranderen. Eerst zijn lichaam dat steeds groter en hariger werd en daarna zijn nek en gezicht. Langzaam veranderde hij in een monster. Voordat hij het ten volle besefte zag de burgemeester een echte weerwolf voor zich. Hij stond op het punt om het beest dood te schieten maar de weerwolf viel hem aan en beet met een ferme ruk zijn nek eraf. De man schreeuwde nog een laatste maal en viel toen op de grond. Hij bloedde en bleef trillen, totdat hij zich niet meer bewoog.
Perry bleef naar de man kijken. Hij stond op zijn achterpoten en ademde moeizaam. Ook als weerwolf besefte hij wat hij had gedaan. Nu was hij toch een moordenaar, nu had hij wel een man gedood, nu moest de stad van Linx wel een weerwolf vrezen. Hem!

Er viel een diepe stilte over Linx. Het was donker en koud. En voor de rest…doodstil.